In juli deed ik een huttentocht in de Oostenrijkse Alpen. Omdat beelden tekortschieten om de volledigheid van een ervaring weer te geven experimenteer ik met andere vormen.
Dag 3. Die eerste keer dat ik boven op de berg kom, over de horizon kan kijken en de vallei aan de andere kant kan zien… telkens wellen de tranen op. Het nieuwe uitzicht; alsof mijn ogen gewassen worden. Dit wordt nooit oud. In de verte zie ik wandelaars, klein als mieren. Hun beeld schiet tekort om te vatten hoe groot dit landschap is. Ik doe wat extra kleren aan en blijf er zo lang mogelijk genieten. En dan het kleine verdrietje als ik in de nieuwe vallei aan de afdaling begin. Omdat ik afscheid moet nemen van de vorige vallei. Van een landschap dat langzaam veranderde, telkens ik opkeek.

Dag 4. Foto’s kunnen dit niet bevatten. Een foto is slechts een beeld – een ervaring beslaat alle zinnen.
Ik voel de berg, de stilte, de zachte wind. De koude hier bovenop de top.
Een foto is niet gekleurd door de opluchting na twee uur klimmen.
Op foto smaken de pinda’s niet lekkerder dan in het dal.
Op foto voel je de overweldigende grootte van dit 360° landschap niet.

Dag 5. Al twee dagen loop ik door regen en mist. Van de voorbije drie valleien kan ik me geen goed beeld vormen. Ik heb ze nooit in hun immense volledigheid kunnen zien. Ik heb niet het gevoel dat ik weet waar ik ben. Voor de tweede nacht op rij is de hut gewoon een tussenstop in de tunnel van regen en mist. Niet een kleine stip, precies geplaatst in een gigantisch landschap, maar een pauze in een wandelen dat iets mechanisch krijgt. Get it over with.

Dag 6. Geologisch hoogtepunt van dag én week: Greifenberg op 2618 meter hoogte. Op die plek staan voelde mythisch en uitzonderlijk. De Rotmandlspitze drie dagen geleden was veel toegankelijker. Ook enorm mooi; bovendien had het uitzicht meer betekenis. Maar de Greifenberg was nóg mooier. Hij was extremer. De klim was langer, steiler, uitdagender. De wind kouder. Het uitzicht verder, maar ook een beetje gratuit. Al die toppen en dalen betekenden niets; ik was daar niet geweest.
Na twee dagen in de regen kon ik het heldere weer extra waarderen. Tot ver na de middag had ik het heerlijke gevoel van droge kleren. Zoals wanneer je net je natte kleren uitdoet en droge kleren aan. Droogte als gewaarwording, niet als afwezigheid van nattigheid. ‘Hmmm! Mijn benen zijn zo dróóg, mijn kleren zo dróóg!’. Haha, heerlijk.

Dag 6. Men zou dit waarschijnlijk een natuurreis noemen, geen cultuurreis. Maar die hutten, die hebben toch echt een ‘cultuurtje’, hoor! Dit jaar lijk ik de code min of meer te snappen, of toch de ruimte waarbinnen in m’n eigen ding mag doen; waar ik mag afwijken zonder raar of opvallend te zijn. Blijkbaar is het prima om moe te liggen lezen op je plekje in de matrassenlager, in plaats van als soloreiziger in een drukke Gaststube te zitten.
Nog meer cultuur: vanavond bij zonsondergang waren enkele oude Oostenrijkse gasten alpenliederen aan het zingen. Af en toe sloten andere gasten aan. Ook Maren, mijn one-night-friendship met wie ik een wijntje deelde, zong stilletjes even mee. Kortstondig was het halve terras aan het meezingen. Het had iets magisch, iets écht. Tastbare geschiedenis. Een oude man jodelde zelfs even. Natuurreis, zei u?

Dag 9. Hoe mijn lichaam in de bergen gewoon een able body is dat mij in staat stelt deze dingen te doen, maar eens in de bewoonde wereld meteen terug gedefinieerd wordt door hoe het eruit ziet. Te omvangrijk. Te raakbaar. Te kwetsbaar; een doelwit. Te veel lichaam. Te veel vrouw. Daarboven ben ik capabel. Hierbeneden ben ik zichtbaar.
